De Temperatuur

In een visteeltsysteem heeft de temperatuur invloed op :

A. De levensverrichtingen van de vis.
B. Het gehalte van de in het water opgeloste stoffen.
C. De "dissociatiegraad" van de opgeloste stoffen.

A.) Bij de stofwisseling van de vis komt warmte vrij, maar door het nauwe contact van de vis met het milieu wordt de warmte zo snel afgestaan dat de warmteproductie nauwelijks te meten is. Bij een vis van een halve pond kan de lichaamstemperatuur toch 0,6 0 C hoger zijn dan de temperatuur van het water. Hoe zwaarder de vis hoe groter het temperatuursverschil met de omgeving. Tonijnen van enkele honderden kilos zijn vele graden Celsius warmer dan hun omgeving. Men zou met deze dieren zelfs problemen met de warmteafvoer kunnen krijgen als ze in te grote dichtheden worden gehouden!

Bij een vis heeft de lichaamstemperatuur belangrijke invloed op de stofwisseling. Deze invloed wordt aangeduid met het "10 graden quotiënt of Q 10" : Tussen 0 en 35 0 C zullen scheikundige reacties bij een toename van 10 0 C 2 tot 3 keer sneller verlopen. Overeenkomstig deze snellere stofwisseling zal de zuurstofbehoefte van een vis toenemen bij stijgende water- en lichaamstemperatuur. De vis zal dan snellere kieuwbewegingen vertonen, zodat meer water de kieuwlamellen passeert en meer zuurstof kan worden opgenomen.

De lichaamstemperatuur heeft ook invloed op de levensduur van ENZYMEN. Enzymen GEVEN RICHTING EN SNELHEID AAN VAN DE STOFWISSELING. Hoe hoger nu de lichaamstemperatuur des te korter de levensduur van de enzymen. Boven een bepaalde, kritieke temperatuur vallen de enzymen sneller uit elkaar dan zij worden aangemaakt. De stofwisselingsprocessen worden dan ontregeld en de vis zal sterven (een regenboogforel zal hierdoor al bij 29 graden sterven; een bij 35 graden en een meerval boven 40 graden).

Ook parasieten en ziekteverwekkers kennen een dergelijke "DODELIJKE TEMPERATUUR" als bovenste begrenzing van het temperatuurstrajekt waarin zij leven. Bij Koi en Meerval komt het wel eens voor dat hun "dodelijke temperatuur" hoger is dan die van hun ziekteverwekkers. Een eenvoudige remedie ligt dan voor de hand..

De temperatuur waarbij een vis kan leven wordt dus bepaald door de Q 10 aan de ene kant en door de bestendigheid van de enzymen tegen een hogere temperatuur aan de andere kant. Hiernaast zorgt de beschikbaarheid van zuurstof bij een bepaalde temperatuur wat de OPTIMUMTEMPERATUUR voor groei is (zie het volgende punt).

B.) Van ELKE stof die in water wordt opgelost, is de MAXIMAAL OP TE LOSSEN HOEVEELHEID afhankelijk van de temperatuur. Bij veel stoffen neemt deze maximale hoeveelheid toe met het toenemen van de temperatuur (zoals bijvoorbeeld ammonium).

Voor zuurstof en alle andere gassen geldt het omgekeerde: hoe HOGER de temperatuur hoe minder er van een gas in water kan oplossen (zie de tabel bij "* O2 (Zuurstof)"). Het feit dat zuurstof in MINDERE mate aanwezig is in water van hogere temperatuur, is de reden dat voor vrijwel alle vissen de optimumtemperatuur voor groei beneden 30 graden ligt, voor sommige vissen (zoals de zalm en de forel) ver beneden de 20 graden.

C.) In water oplosbare stoffen kunnen, afhankelijk van de temperatuur, in andere stoffen overgaan. Een voor de visteelt belangrijk voorbeeld is ammonium, waarvan altijd een bepaald gedeelte (afhankelijk van de pH) in de vorm van ammoniak in het water aanwezig is. Hoe hoger de temperatuur hoe hoger percentage ammoniak aanwezig is (zoals algemeen bekend, is ammoniak zeer giftig).

De Temperatuur en de vijver

De activiteit van alle organismen is hoog bij hoge temperaturen. Daardoor ontstaat veel afval. In kleine vijvers kan hierdoor zuurstofgebrek ontstaan. In diepe vijvers speelt de dichtheid van het water een belangrijke rol. In de herfst sterven vele organismen, zoals algen en microorganismen af. Planten stoppen hun groei en de activiteit van de bacteriën wordt minder. Bovendien onstaat vuil door inwaaiende bladeren. De grote hoeveelheid afval wordt vaak niet volledig verwerkt, zodat in het voorjaar nog restanten van het afgelopen jaar aanwezig kunnen zijn. De watermenging en ook de zuurstofverzorging is optimaal. Bij temperaturen onder 10 ºC stoppen de vissen met de opname van voedsel, de planten gaan over in een rustperiode en de bacteriële activiteit is op zijn laagst. Als het water nog kouder wordt, zinkt het zware water van 4 ºC op de bodem van de vijver, zodat hier een plaats voor het overwinteren van de vissen ontstaat. Het lichtere nog koudere water blijft boven. Als er een ijslaag op de vijver komt vindt tenslotte geen uitwisseling tussen de verschillend waterlagen meer plaats. Een ijsvrijhouder en/of zuurstofpomp verhindert, dat het wateroppervlak compleet dicht vriest.

© 2008 Koidream® (Disclaimer)