Het uiterlijk van de vissen

De kleuren van de vissen

Van al de dieren vertonen de vissen verreweg de rijkste variatie in kleur en huidtekening. Bent u het niet met mij eens, omdat u het bonte kleuren kleed van onze gevederde vrienden niet te overtreffen acht? Brengt u dan eens een bezoek aan de aquariumtentoonstellingen. Wat u daar te zien krijgt in de tropische afdeling in een collectie van gekleurde vissen, zo rijk en zo vol afwisseling, dat er geen schilder bestaat, die zoveel verschillende tinten ooit op zijn palet heeft bijeen gebracht. Om de kleurenpracht van de vissen in zijn volle schoonheid te leren kennen, moeten we een bezoek brengen aan de warme gebieden, of de voortgang van de aquariumtechniek heeft het ons mogelijk gemaakt, een kleine collectie van tropische schoonheden in een eigen kamer-aquarium verzorgen. In de tropen, bij de koraalriffen of in de zonbeschenen plassen, worden de schitterendste vissen gevonden. In hoeverre hier de kracht van lichtstralen een rol speelt, valt niet uit te maken. Zeker is, dat in de grotten levende vissen kleurloos zijn en dat de vissen uit de diepzee, waar het licht niet meer kan doordringen, een asgrauwe of zwarte kleur vertonen.

1. Schutkleur

De kleur van de vissen moet worden opgevat als een middel, om in de omgeving niet op te vallen, een "schutkleur" dus. Dit geldt net zo goed voor de zilver glanzende vis uit volle zee, de prachtige koraalvis als de weinig opvallende bodemvis. De rugzijde van de vissen is als regel donkerder gepigmenteerd dan de rest van het lichaam. De donkere, zwartachtig of olijfgroene ruggen maken, dat de vis, van boven gezien, moeilijk opvalt. Een goed beschermings-middel dus tegen de vogels. De mooie zilverglans van buik en flanken, zo kenmerkend voor in volle zee of grote plassen en rivieren levende vissen, helpt als bescherming tegen de lager zwemmende vijanden. Door de lichtweerkaatsing aan de waterspiegel vallen, tegen het licht gezien, de zilverkleurige lichamen niet op.

Hier kan men een aantal bekende tropische zoetwatervissen bij laten aansluiten, n.l. vissen met gekleurde strepen in de lengterichting van de romp (vgl. Danioninae en Rasborinae). In onze aquaria vertonen zij zich op hun best, wanneer er wat zonlicht in het water schijnt. Ze jagen dan in snel tempo door het open middengedeelte van de bak. Wij moeten aannemen, dat de in de lengterichting geplaatste strepen verband houden met de snelle voortbeweging en dat deze vissen in het zonbeschenen water voor vijanden onzichtbaar zijn.

Letten we op de vissen, waarvan bekend is, dat zij zich bij voorkeur tussen de planten ophouden, dan vinden we geen lengte-, maar juist verticale strepen op de flanken. De verticale lijnen of bandtekening helpen de vis met het onzichtbaar opgenomen worden in de omgeving van rietstengels en ondergedoken waterplanten. Een prachtig voorbeeld van dit type vinden we in de bekende maanvis (vg!. Pterophyllum) uit het Amazonegebied. Ook grotere roofzuchtige vissen vertonen dikwijls, naast de donkere rug, de verticale bandtekening op de romp. Zonder twijfel heeft deze huidtekening voor de roofvis waarde voor het zich onzichtbaar maken bij het loeren op de prooi. De baars (vgl. Perca) staat doodstil tussen het riet. Door zijn groene kleur en donkere strepen is hij voor de andere vissen, die, onbewust van het dreigende gevaar, naderen, onzichtbaar.

Ook de zo bont gekleurde en getekende koraalvissen willen we in onze bespreking betrekken. De onbeschrijflijke pracht van deze vissen moeten we eveneens als "schutkleur" beschouwen. Het koraalrif, waarbij deze vissen leven, is langzamerhand door kleine diertjes in zee opgebouwd uit kalk of hoornstof. Het rif zelf vertoont zich aan de waarnemers in tal van kleuren, waarop dieren (slakken, zeesterren, wormen, holtedieren, kreeftachtige e.a.) en wierplanten voorkomen, ook weer in allerlei kleurschakeringen. Is het bij een dergelijke bonte schoonheid eigenlijk te verwonderen, dat ook de vissen de meest fantastische kleurcombinaties, gepaard met eigenaardige lichaams- en vinvormen, vertonen? Zij vallen, schitterend als zij zijn, in dit décor niet op. Bovendien kunnen ze tijdens het langzame zwemmen - voortbewogen door de kracht van de rugvin - hun kleur wijzigen en aanpassen aan veranderingen in de omgeving. Ze bezitten een echte schutkleur en passen wel op, met hun bonte pakjes, niet meer dan enkele meters van het rif weg te zwemmen.

In zeewateraquaria (b.v. Artis-aquarium, Amsterdam) treft men wel eens de mooie, gekleurde drieband-koraalvisjes (Amphiprion percula) aan. Vissen met oranje huidkleur, waarop zich drie witte, blauwzwart omzoomde banden aftekenen. Zij voelen zich in het aquarium alleen goed thuis, als ze een metgezel, de grote oranje, blauw omzoomde zeeanemoon (Stoichactis kenti) in de nabijheid weten. Een wonderlijke symbiose komt ertussen deze twee, een holtedier en een kleine vis, voor. Dreigt er gevaar, dan zwemt de vis snel tussen de tentakels, een veilige schuilplaats. Hinder van de netelcellen (het wapen van de zee-anemoon) ondervindt de Amphiprion niet. Omgekeerd menen sommige onderzoekers, dat het visje als tegenprestatie het water bij de mondholte van de anemoon ververst, de tentakels reinigt, etc. In het aquarium van Batavia, waar onze landgenoot Dr. J. VERWEY het leven van de zeeanemoon en verschillende soorten anemoonvisjes bestudeerde (1930), deed men nog de interessante ontdekking, dat
deze soort de eitjes ook aan de voet van de anemoon afzet. Zolang de jongen niet op kleur zijn, zwemmen ze vrij rond. Vormt zich echter de oranje tint en de eerste band, dan komt tevens de belangstelling voor de bescherming biedende anemoon.

Na deze mooie vissen vraag ik even uw aandacht voor de bodembewoners. Er zal dikwijls een sliklaag op de bodem zijn en daarmee in verband staat de vaak donker grauwbruine of -groene kleur van de bewoners. Uit onze binnenwateren noemen wij als voorbeeld de zoetwaterpaling (Anguilla anguilla) en als bekende uit onze tropische aquaria, de blauwe baars (Badis bad is) en de klimbaars (Anabas testudineus), twee vertegenwoordigers uit Azië, met een vuilgroene tot blauwachtige huidkleur. De zeekust levert ons de platvissen; van hen is het bekend, dat zij, indien gevangen op een kleiplaat, blauwgrijs, en gevangen op een zandplaat, geelgrijs van kleur zijn. Van deze vissen weten we, dat zij zich op buitengewone wijze aan de kleur van de ondergrond, waarop zij moeten leven, aanpassen. Bij experimenten heeft men allerlei soorten platvissen op bodems met verscheidene figuren, zoals schaakborden, zwart-witte strepen, witte stippen op donkere ondergrond e.d" laten zwemmen. Het resultaat van dit soort proeven was steeds, dat na verloop van enige tijd bij benadering de figuren van de ondergrond in de naar boven gekeerde huid goed werden nagebootst. Andere proeven werden genomen om aan te tonen, dat de waarneming met de ogen bij deze aanpassingen een belangrijke rol speelde.

De verschillende voorbeelden, die wij de revue lieten passeren, wijzen er op, dat in het vissenrijk de z.g. schutkleur, dat wil zeggen een bij de omgeving passende kleur, bij de vissen algemeen voorkomt. Aquariumhouders kunnen het verschijnsel van aanpassing ook opmerken bij de door hen verpleegde vissen. Indien wit zand als bodembedekking wordt gebruikt, nemen de vissen lichtere kleuren aan; bij het gebruik van het donkerder rivierzand vertonen de vissen ook de donkere, meer natuurlijke kleuren. De aanpassingen aan verschillende omstandigheden gaan in vele gevallen zo ver, dat de vissen uitgesproken verschil in huidkleur en huidtekening vertonen, naar gelang het dag of nacht is. Een duidelijk nachtgewaad komt voor bij een bekend karperzalmpje, Poecilobrycon trifasciatus, waarbij overdag een fraaie goudgele, bruin omzoomde lengteband vertoond wordt en 's nachts, de tijd van rusten tussen de planten, drie schuin geplaatste donkere banden voorkomen.

2. Jeugdkleed

Aangezien de plaats, waar de jonge vis zich ophoudt, dikwijls sterk verschilt van het ruime gebied, door de volwassen vis bewoond, spreekt het vanzelf, dat er een zogenaamd jeugdkleed bestaat. Een bekend voorbeeld hiervan is de snoek. De wandelende natuurliefhebbers merken in voorjaar en zomer, bij het afzoeken van brede sloten, de jonge snoek regelmatig op. Deze jonge exemplaren worden in verband met het jeugd kleed "grassnoek" genoemd. Tussen de waterplanten van de begroeide sloot is de jonge roofvis met zijn glanzende dwarsstrepen goed beschermd. Het blauwgroene kleed van het eerste jaar wordt verwisseld voor een meer grijsbruine bedekking. Deze huid beschermt het grotere dier beter bij het op oudere leeftijd betrekken van bredere wateren, waar behalve rietoevers veel open water is. De aquariumhouders kennen onder de tropische vissen ook wel enige typische voorbeelden met jeugd- en volwassen kleed. Ik noem b.v. de Scatophagus argus en Astronotus ocellatus.

3. Schrikkleur

Natuurvrienden weten te vertellen van dieren met zeer opvallende huidkleuren, die moeten dienen om de aanvallers ontzag in te boezem en of hen te waarschuwen voor gifklieren. Dit zijn de z.g. waarschuwings- of schrikkleuren. Zo'n schrikkleur kent men hier en daar ook in het vissen rijk. We denken b.v. aan de rode poon (Trigla lucerna). Merkt deze kustvis, dat er een schaduw, dus een mogelijke vijand, over hem heen beweegt, dan worden de borstvinnen uitgespreid en zo gedraaid, dat de opvallende, prachtig groene kleur van de onderzijde zichtbaar wordt. Deze plotselinge gewaarwording kan een aanvaller, nog vóór de eigenlijke aanval, dus kennismaking met de stevige bek en stekels van de poon, heeft plaats gehad, vol ontzag doen afdruipen.

4. Emotiekleur

Geef aan een gezelschap hongerige vissen maar eens een portie levend voer! Zoiets is voor hen een zeer belangrijke gebeurtenis, waarop ze reageren, door van kleur te veranderen of in nog groter schittering op te kleuren. Ook de mooie kleuren van vechtende vissen (Betta) zijn als emotiekleuren op te vatten. Sterk onder invloed van emoties staat de Zuid-Amerikaanse veelstekelbaars (Poly-centrus schomburgki), de kameleon onder de aquariumvissen. Naar gelang de stemming, is de kleur van dit visje grijs, grijs met zwarte stippen, zwart of blauwzwart met parelmoerachtige stippen, verschillen, die zeer snel in elkaar kunnen overgaan. Een eigenaardigheid mag tenslotte het verschijnsel worden genoemd, dat vele vissen kort voor hun dood de kleuren op hun mooist vertonen!

5. Het bruiloftskleed

In de vissenwereld met zijn vaak uitgesproken geslachtdimorfie zijn het altijd de mannetjes, die zich in de paartijd in het keurigste kostuum tooien. De driedoornige stekelbaarsman (Gasterosteus aculeatus), het rood bekje of roodkaakje uit onze jeugd, geniet algemene bekendheid om zijn mooi bruiloftspakje.

6. Ontstaan van de huidkleuren

Hoe ontstaat nu de bonte verscheidenheid van de hier met woorden geschilderde kleurenpracht? Het geweldige aantal kleuren komt tot stand door samenwerking van kleurstoflichaampjes, welke in massa in de huid liggen. Men zou, op grond van het grote aantal verschillende kleuren bij onze vissen, geneigd zijn, heel wat soorten van die kleurstoflichaampjes aan te nemen. Onderzoek wees echter uit, dat het aantal gering is en dat alle kleurschakeringen zijn terug te brengen op een gering aantal soorten van kleurstoffen, die samenwerken en in combinatie met lichtbreking en lichtweerkaatsing, de verschillende kleuren doen ontstaan. Men kent pigmentcellen (chromatophoren) met korrelig bruinzwarte kleurstoffen, de z.g. melanophoren en met geel of soms rood pigment, de z.g. xantophoren. Tenslotte bevat de huid in diepere lagen nog guano-leucophoren of iridocytent cellen, gevuld met lichtbrekende en lichtweerkaatsende kristallijnen afbraakproducten (guaninekorrels), die naar gelang de samenstelling het licht zilverglanzend weerkaatsen (flanken van vele vissen) of een matwitte laag (buikzijde van vele vissen) vertonen. De kleurstofcellen of chromatophoren (fig. 22) moet men zich voorstellen als sterk vertakte cellen, waarbinnen de kleurstof in de vorm van fijne korreltjes, onder invloed van het zenuwstelsel, kan bewegen. Op dit verplaatsingsvermogen van de kleurstof, een eigenschap, die vooral de bruinzwarte kleurstofkorrels bezitten, berust de kleurwisseling. Trekken de zwarte kleurstoffen zich tot een diep in de huid gelegen balletje in de cellen terug, dan is de vis licht gekleurd.

Onder invloed van erfelijke factoren kunnen bepaalde kleurstoffen in de kweekproducten vermeerderen of sterk worden teruggedrongen. Bij de rode plaat, de goudvis e.a. is de zwarte kleurstof geheel door rood en geel pigment verdrongen, een toestand, die we met xanthorisme aanduiden. Dergelijke xanthoristische vissen kunnen plotseling in de natuur ontstaan (mutaties), maar worden ook door kweek en teelt-keus verkregen. Soms neemt bij kruisingsproeven de zwarte kleurstof in zo sterke mate toe (z.g. melanisme), dat onder het nageslacht donker gekleurde, misvormde vissen met kleurstofgezwellen ontstaan, zoals bij de bekende Hamburger- en Berliner-kruisingen.

Bij de albino-vissen (b.v. forel, sterlet, paradijsvis, zwaarddroger e.a.) ontbreken de kleurstofcellen in de huid. De huid vertoont door het in de laag voorkomende bloed, evenals in de ogen, een rode kleur. Deze albino's treden plotseling op, door niet te verklaren veranderingen in de erfelijke eigenschappen. Van het feit, dat de nieuw verworven eigenschappen erfelijk zijn, maakt men in de kweek gebruik en vermeerdert het aantal albino's door met de toevallig verkregen exemplaren te kweken.

Het ontstaan van de blauwe kleuren van sommige vissen schrijft men toe aan lichtbreking door een laag van guanophoren, gelegen vóór een laag van zwarte pigmentcellen. De groene kleur zou ontstaan, wanneer het opvallende licht, voordat het de guaninelaag bereikt, eerst een laag gele kleurstoffen moet passeren (b.v. baars). De rode of blauwe glans, waar te nemen op het lichaam van vele vissen, berust op dezelfde lichtbrekingsverschijnselen, die we waarnemen, wanneer lichtstralen op een dunne olielaag op het water vallen.

7. Huidkleurverandering onder invloed van zenuwstelsel en hormonen.

Het uitspreiden en samentrekken van het pigment, waarvan hiervoor spraken was, wordt geregeld door het achterste deel van de hersenen, bekend als het verlengde merg. K. von FRISCH kon, door dit deel van de hersenen elektrisch te prikkelen, bereiken, dat het zwarte pigment zich samentrok, zodat de vis de lichte kleur ging vertonen. Ook slaagde von Frisch er in, de zenuw op te sporen, waarlangs de prikkels naar de huidcellen worden gebracht. De prikkel volgt n.l. een zenuwbaan in het ruggenmerg tot de vijftiende wervel, daarna treedt ze buiten de wervelkolom en gaat over in een kop- en staartwaarts gerichte zenuw. Beschadiging van de zenuw in het ruggenmerg had tot gevolg, dat de vis de donkere kleur aannam. Werd de staartwaarts gerichte vertakking beschadigd, dan kleurde zich alleen het staart-gedeelte donker. Hiermee is dus de invloed van het zenuwstelsel bewezen.

Het ontbreken van de verbinding tussen delen van de huid en de hersenen maakt, dat het donkere pigment zich in het betreffende gedeelte uitspreidt. Onder de hersenen komt een klier voor, het hersen-aanhangsel of hypofyse, welke stoffen (hormonen) aan het bloed afgeeft. Deze hypofyse-hormonen oefenen ook invloed uit op de kleurstoffen in de vissenhuid. Zij regelen volgens von Frisch in langzaam tempo het aanpassen aan de omgeving, maken b.v., dat van de Elrits het gele en rode pigment zich in de huid uitspreidt, zodra deze in een omgeving met gele zandbodem zwemt. Elritsen, waarvan de kleur na beschadiging van het zenuwstelsel donker was geworden, pasten zich na verloop van tijd toch weer aan de lichtgekleurde zandbodem van een aquarium aan. Volgens deze onderzoekingen bij Elritsen wordt de kleur dus op twee manieren geregeld; een snelle aanpassing aan lichte en donkere omgeving door het zenuwstelsel bewerkstelligd en een langzame aanpassing aan de kleurcontrasten van het woongebied, door de hormonen uit het hersenaanhangsel bewerkt.

Het zich tooien in het bruiloftspak wordt toegeschreven zowel aan zenuwwerking als aan hormoonwerking. De plotselinge aanblik van een wijfje brengt de man dikwijls in een oogwenk in prachtgewaad, een typische zenuwwerking dus. Daarnaast kent men ook de invloed van hormonen op kleur, b.v. Elrits. Spuit men een mannetje met hypofysehormoon in, dan valt het - binnen een uur - rood worden van de buik (kenmerk uit de paaitijd) op te merken.

© 2008 Koidream® (Disclaimer)