De Graskarper

De GRASKARPER (Ctenopharyngodon idella) lijkt wat betreft lichaamsvorm en beschubbing het meest op de kopvoom. Evenals deze heeft de graskarper een langgerekt en rond lichaam, terwijl ook de schubben zwart zijn omrand. Bij de graskarper zitten de ogen van de zijkant gezien, meer midden op de kop dan bij de kopvoorn. Daarnaast heeft de graskarper een kleinere bek. In tegenstelling tot de karper heeft de graskarper geen bekdraden.

Soort GRASKARPER
Lengte afgebeelde vis 70 cm
Wetenschappelijke naam Ctenopharyngodon idella
Auteursnaam / Jaar (Valenciennes, 1844)
Duitse naam Grasfisch
Engelse naam Grass carp
Franse naam Amour blanc
Wet Voor graskarper geldt een meeneemverbod vanwege zijn speciale functie.
Maximale lengte circa 120 cm.
Herkenning Kan verward worden met de kopvoorn. Onder de zijlijn liggen, geteld in de richting van de pijl, 5 rijen schubben (de schub op de zijlijn niet meegeteld) (1). Onderscheidt zich van de karper door het ontbreken van bekdraden aan de stevige, eindstandige bek
Voorkomen/zeldzaamheid vrij zeldzaam - uitheemse soort
Verspreiding Oorspronkelijk afkomstig uit China. Naar Nederland gehaald ten behoeve van het waterplantenbeheer (naast chemische en mechanische methoden). Plant zich in ons land niet voort. 
Voedsel Bij voorkeur 'zachte' waterplanten en draadalgen. Uitzetting vindt plaats in afgesloten wateren.

Vele van onze binnenwateren zijn ondiep, varirend van enkele tientallen centimeters tot zon n anderhalve meter. De vruchtbaarheid van deze wateren is in de loop der jaren sterk toegenomen. Door deze beide oorzaken raken vele binnenwateren s zomers sterk met waterplanten begroeid. Zou men hier niets tegen doen, dan worden deze wateren in de loop der jaren steeds ondieper en smaller. Uiteindelijk groeien ze geheel dicht en gaan in land over (het "verlandingsproces"). Een groot deel van de binnenwateren is van belang voor de landbouw, de drinkwatervoorziening, sport- en beroepsvisserij, scheepvaart en allerlei vormen van waterrecreatie. Voor deze vormen van gebruik moeten de wateren "open" zijn en blijven. Daarom worden de overtollige waterplanten en Draad-algen in de meeste van deze wateren n of meer keren per jaar gemaaid of verwijderd.

 

Bestrijding van Draad-algen en diverse waterplanten

Het verwijderen van waterplanten met handkracht is de oudste vorm van schonen. Het is arbeidsintensief en past. In de meeste gevallen is het handwerk vervangen door maai- en veegboten, korfmaaiers en dergelijke. Dit mechanisch onderhoud is thans de meest toegepaste methode. Mechanisch schonen is bij aanwezigheid van planten als waterpest, kroos en draadalg ("flab") echter vaak niet toepasbaar of leidt niet tot het gewenste resultaat. Daarnaast zijn niet alle wateren toegankelijk voor mechanische apparatuur.

Voor de beteugeling van overmatig groei van waterplanten worden chemische bestrijdingsmiddelen nauwelijks meer toegepast. Door gebruik van chemische middelen in watergangen raakt de hele levensgemeenschap in en rondom het water verstoord, en bovendien kan het gebruik van dergelijke middelen gevaar opleveren voor de volksgezondheid.

De overlast aan waterplanten kan ook binnen de perken worden gehouden met biologische middelen. Toepassing van graskarper, een plantenetende vis, is zon biologische methode.

 

Biologisch bestrijding met de graskarper

Gebleken is dat met deze methode de overmatige plantengroei tot het gewenste niveau kan worden teruggedrongen. Er zijn slechts enkele plantensoorten zoals krabbescheer, blaasjeskruid en stijve waterranonkel, die niet door de graskarper worden gegeten. Daarnaast zijn er nog enkele oever- en drijfbladplanten, die de graskarper pas eet als er geen ander plantenvoedsel meer beschikbaar is. Van bijzonder belang is dat plantenwoekeringen van zeer lastige soorten als waterpest, kroos en draadalg zich met graskarper goed laten bestrijden.

Een tweetal watergangen in dezelfde polder. Links zonder graskarper (met kroosdek), rechts met graskarper. Duidelijk is te zien, dat de voor het waterleven belangrijke waterplanten in de oeverzone niet of nauwelijks door de graskarpers zijn weggegeten. De begroeiing met kroos en onderwaterplanten in het middengedeelte van de sloot is daarentegen verdwenen.

Graskarper in Nederland

De graskarper komt van oorsprong uit China. Hij is een snelle groeier, die in de grote Chinese rivieren afmetingen kan bereiken van anderhalve meter bij een gewicht van rond de 40 kg. Hij is n van de weinige vissoorten uit de gematigde klimaatzone die zich vrijwel uitsluitend met waterplanten voeden.

De graskarper kan zich in Nederland niet langs natuurlijke weg voortplanten. Daarvoor verschillen de omstandigheden hier te veel van die in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in China. Het risico van plaagvorming is dan ook uitgesloten.

Bovendien heeft de afwezigheid van enig nakomelingschap het voordeel, dat de stand van graskarper in elk water waarin deze wordt uitgezet nauwkeurig in de hand kan worden gehouden. In het algemeen is er dan ook geen spraken van schadelijke neveneffecten voor het milieu, uiteraard op voorwaarde dat de graskarperstand wel doelmatig wordt beheerd. De graskarper stelt geen hogere eisen aan de waterkwaliteit dan onze inheemse zoetwatervissen. Ook tegen strenge winters is hij goed bestand, mits het zuurstofgehalte in het water niet zo ver daalt, dat daardoor het leven van alle vissen onmogelijk wordt.

Sinds 1973 wordt in ons land graskarper uitgezet ten behoeve van de bestrijding van waterplanten. Destijds is de introductie van de graskarper in Nederland begeleid met onderzoek en advies van de Werkgroep Graskarper (TNO). In deze werkgroep werkten een aantal deskundigen van diverse overheidsinstanties en onderzoeksinstituten op het gebied van waterbeheer, natuurbeheer en binnenvisserij samen. De toepassing van graskarper in Nederland vindt dan ook weloverwogen plaats.

Voorschriften voor uitzetting

De algemene toestemming geldt alleen voor afgesloten wateren. Wateren met open verbindingen moeten daarom met spijlenroosters of hekken van stevig gaas worden afgezet. Door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij bestaande waterstaatkundige eenheden, zoals afgesloten plassen en polders, kunnen deze extra voorzieningen dikwijls tot een minimum worden beperkt, of soms zelfs geheel achterwege blijven. Zo kan men de graskarpers geconcentreerd houden op de plaatsen waar de waterplantenoverlast zich voordoet. De visrechthebbende op een water moet altijd instemmen met het uitzetten van graskarpers. Daarbij is het uitzetten van graskarpers in beschermde natuurgebieden verboden. De visrechthebbende of eigenaar van het water kan het op of aan het water voorhanden hebben van levende graskarper verbieden. De visser dient een gevangen graskarper dan onmiddellijk in hetzelfde water terug te zetten.

Beheer

Waterplanten in de oeverzone zijn van groot belang voor de natuur in en langs wateren. Ook de visstand profiteert van planten langs de waterkant als paai- en schuilplaats. Bovendien zijn begroeide oevers landschappelijk aantrekkelijker dan kale oevers. Veel waterbeheerders en visstandbeheerders geven tegenwoordig de voorkeur aan het behoud van een gevarieerde waterplantenzone langs de oevers. Wil men de waterplanten in de oeverzone behouden, dan moet er niet te veel graskarper worden uitgezet. In de meeste gevallen kan deze situatie worden bereikt door per hectare water oppervlak 100 150 kg graskarper uit te zetten. Worden er desondanks te veel waterplanten weg gegeten, dan moet een deel van de graskarpers worden verwijderd ("uitgedund"). De te verwijderen graskarpers kan men dan overbrengen naar een ander water, waar zich een plantenprobleem voordoet.

Graskarpers bestellen:

Mail naar: Tim Rozemaer

Voor Particuliere Prijzen zie: * Prijslijst

Deze info is van de OVB en Tim Rozemaer